De verjaardag van mijn vader


11 april was de verjaardag van mijn vader. In november 2002 overleed hij op 75-jarige leeftijd. De laatste zes jaar sleet hij in zijn eigen wereldje in een verpleeghuis aan de rivier.
Mijn vader was dement geworden.

In 1981, ik was twaalf, kon hij op een dag niet meer uit bed komen. Een hersenbloeding. Mijn verstandelijk gehandicapte broer Jan en ik moesten hem in bedwang houden.
‘Blijven jullie bij hem,’ zei mijn moeder. ‘Dan kan ik beneden de ambulance bellen.’
Voor mij was het al lastig te begrijpen, Jan snapte er helemaal niks van. Waarom riep papa steeds dat hij uit bed was gegooid? Wat was er gebeurd met de vader die altijd meehielp in de speeltuin, met de zeepkistenrace en met judo- en damwedstrijden? Hoe moest het nu verder als hij ons niet meer kon supporten?
Nadat de ambulance arriveerde, tilden broeders mijn vader op de brancard. Ik zie nog hoe ze hem de trap af droegen. ‘Daar ga ik dan,’ mompelde hij met angstige blik.

Dagen van spanning volgden. Zou hij het redden?
Ja. Het duurde tien weken van dagelijks op en neer rijden naar Utrecht, waar hij in het ziekenhuis lag. Daarna wisten ze meer. Pa zou voor altijd verlamd blijven. We gingen ziekenhuis in en uit en later volgde het revalidatiecentrum. Een raar wereldje. Tussen de tentamens en huiswerkopdrachten door praatte ik op een zonnig terras met vooral oudere mensen die hun levensverhaal kwijt wilden. Het was weer eens iets anders dan uitgaan en feestvieren.

Eenmaal thuis toerde mijn vader in zijn rolstoel door de omgeving. Hij kreeg nieuwe contacten en praatte met de oude mannetjes in het winkelcentrum. Ook dat was even wennen: van bedrijfsleider op de chocoladeafdeling bij Jamin tot de gangmaker van de hangouderen van de stad… de carrièreswitch van mijn vader was opvallend.
Het zorgen voor hem en mijn broer viel niet altijd even makkelijk. Mijn moeder moest geregeld weg en ik zette dan koffie, maakte eten, deed spelletjes met mijn broer en hielp mijn vader naar de wc. Dat laatste vond ik soms wat gênant, maar we maakten er meestal een grapje om. ‘Laat die broekriem maar zitten, daar zien ze toch niks van als ik mijn trui erover doe,’ bedacht mijn vader.
En toen hij met zijn lamme been uitgleed over de tegels omdat hij op sokken rond schuifelde, ving ik hem net op tijd op zodat zijn achterhoofd niet tegen de vloer sloeg.

Moeilijk vond ik het ook me goed op school te concentreren. Aan mijn rapporten viel de eerste jaren niks te merken, maar studeren bleek lastig als je ondertussen moest luisteren of alles wel goed ging beneden.
‘Wat ben je aan het doen pa?’ vroeg ik boven aan de trap wanneer ik hem achterdochtig in de kastjes hoorde snuffelen. ‘Is alles in orde?’
Om het zekere voor het onzekere te nemen, liep ik weg bij mijn boeken en schriften zodat ik hem rustig terug kon begeleiden naar de bank waar hij altijd zat. Daar had hij wel zin in een kopje koffie, of hij luisterde naar zijn favoriete programma “Adres onbekend”.

De laatste twee jaar op school eisten de omstandigheden hun tol. Toch lukte het me te slagen, ondanks het wattenbollengevoel in mijn hoofd. Logisch, want menig nacht ging pa uit zwerven om met veel lawaai in de badkamer terecht te komen. De rusteloosheid sloeg langzaam bij hem toe. Echt gepuberd heb ik niet, ik zette mijn eigen dingen vaak opzij zodat ik zo goed mogelijk mee kon helpen. Op school was er nooit aandacht voor, zelfs niet toen mijn moeder een keer om een gesprek vroeg.
‘Ach, het gaat toch goed zo?’ zei de decaan.

Het moeilijkste vond ik wel dat het leek of iedereen een vader had die zijn zoon of dochter naar schoolfeestjes of sportwedstrijden bracht. Ik werd vindingrijk genoeg om alles zelf te regelen, maar op een keer na een avond in de disco mijmerde ik hoe het zou zijn als mijn vader me op zou halen. Ik snapte niet dat mijn klasgenoten dat zo vreselijk vonden, ik zou niets liever willen!

Humor hield ons op de been. Soms, als hij zich verdrietig voelde, imiteerden we mijn vader tot hij de slappe lach kreeg. Jan en ik hinkelden met zijn stok rond of gaven er een gitaarsolo op weg. Andersom leverde mijn vader graag commentaar op mijn kleding en haardracht – is dat nou punk of sta je onder stroom? – en de rare schoolopdrachten waarbij we op de PABO draadjes wol om verwarmingsbuizen moesten binden.
Hij noemde me altijd Marjanneke, voor hem bleef ik zijn kleine meid, zelfs toen ik na mijn afstuderen ging werken. Zijn motto was: bij twijfel niet doen. Dat heb ik voor altijd in mijn oren geknoopt.

Er viel weinig meer te lachen toen opname in het verpleeghuis noodzakelijk bleek. Papa reageerde nogal eens agressief. Het werd te zwaar voor mijn moeder en zijn gedrag was te onvoorspelbaar. Eenmaal in het verpleeghuis ging het snel slechter met zijn geheugen. Toch duurde het nog zo’n zes jaar voordat het einde zich aankondigde.

In een zonovergoten kamer zat ik op een snikhete dag alleen met mijn vader. Hij ademde zwaar en moeizaam. Onbereikbaar leek hij. Ik voerde hem vla waarvan zo te ruiken de houdbaarheidsdatum duidelijk was verstreken. Maar wat maakte het uit als dat het enige was wat hij nog lustte?
We zwegen alleen nog maar. Alles was gezegd. Zo hebben we een halfuurtje gezeten. Ik hoefde niets meer te vertellen over mijn leven. Dat ik was getrouwd, dat we een hond hadden, dat ik in een andere plaats woonde en helemaal met de boot naar het verpleeghuis was gevaren. Daarbuiten was die andere wereld, de wereld van zon en strand en ijsjes en waterdruppels op je wang, de wereld die mijn vader al lang geleden had verlaten.

Plotseling pakte hij mijn hand. Met alle kracht die hij in zich had trok hij me naar zich toe. Bedachtzaam streek hij over mijn arm. Het was alsof hij me iets duidelijk wilde maken. Ik streelde ten antwoord zacht over de haartjes op zijn arm. Ze waren als babydons. Hij leek zo broos en kwetsbaar in dat grote bed midden in de “sterfkamer”.
We hadden oogcontact en papa zei zomaar uit het niets: ‘Zeg me, heb ik het goed gedaan? Marjanneke, heb ik het goed gedaan?’
Keer op keer herhaalde hij die vraag.
Met tranen in mijn ogen antwoordde ik: ‘Ja, pa, maak je daar geen zorgen over. Op jouw manier heb je het goed gedaan.’

Papa leefde nog een paar maanden op, daarna was het kaarsje echt uit. In mijn herinnering is hij niet de man met die vreselijke ziekte, maar de vader die langs de kant stond om me te aan te moedigen. Ergens hoop ik dat hij dat nog altijd doet bij zijn “Marjanneke”.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s