Draadjes

Tjonge, ik kan eindelijk weer een beetje mijn eigen woordje doen. Man man man, wat heb ik voor gaas gelegen. Als een neergekwakte doek, zeg maar. Het lukte me nauwelijks mijn ogen open te doen, ik sliep urenlang aan een stuk door. Af en toe inspecteerde mijn vrouwtje de wond en ze keek of alles oké was. Nou, wat dacht ze zelf? Er is iets belangrijks bij me weggehaald, iets heel belangrijks. Ik moet het wel even verwerken hoor, dat ik geen echte dame meer ben. Vanmorgen toen ik de knappe buurreutjes zag, zuchtte ik alleen maar. Ten eerste mocht ik er niet naartoe, en ten tweede kon het me niks schelen of ze met een andere dame optrokken. Als dat nou maar goed komt. Ze kennen me tenslotte als een heuse charmeur. Wat als ik straks totaal veranderd ben?

Het lopen wil nog niet zo lukken. Kijk, ik kan prima op mijn vier voetjes vooruit, al is het dan als een dame die te lang heeft paardgereden of een halve Tour de Frats heeft voltooid: met mijn kontje samengeknepen, mijn rug bol en op hoge hakjes trippel ik stijfjes voort. Maar ik durf gewoon niet meer. Terug gaat het wel, dan duik ik ineengedoken met mijn staart tussen de benen langs de huizen, snel richting de woning waar mijn warme mand staat. Maar o wee als we naar buiten moeten, weg van mijn veilige toevluchtsoord. Dan ga ik stokstijf op de stoep zitten en verzet geen poot.
‘We zijn terug bij af,’ verzuchten mijn baasjes. ‘Haar angst om buiten te zijn is erger dan ooit.’

Natuurlijk moet ik af en toe mijn ding doen. En dus hebben mijn baasjes wat bedacht: ze taxiën me per fiets naar de leuke uitlaatplekken. Daar kom ik steeds meer los. Eigenlijk vind ik het ook wel fijn om weer eens aan wat vertrouwde graspollen te snuiven, of op mijn favoriete veldjes rond te struinen. Vandaag liepen we zowaar in één keer terug naar huis. Mijn pootjes gingen vanzelf, al was het dan langzaam. Hupsen en springen is er al helemaal niet bij, omdat dit te intensief voor me is. Maar mijn baasjes zijn blij dat ik het speuren nog niet ben verleerd.

Mijn vrouwtje kwam een ander vrouwtje tegen. Ik speel vaak met haar hond Boomer, maar die viel in geen velden of wegen te bekennen. Vanuit mijn fietsmand staarde ik het vrouwtje van Boomer warrig aan. ‘Zo, is mevrouw de koningin er klaar voor?’ lachte ze. Daarna knipoogde ze naar mijn vrouwtje. ‘Je gaat haar toch niet te veel verwennen, hè. Ik zou best jouw hondje willen zijn.’
Verwennen? Ik heb nogal wat meegemaakt, zeg. De dierenarts vertelde dat het beslist niet meevalt omdat het een zware operatie is geweest. ‘Onderschat dat niet. Er is daar heel wat gebeurd, je moet haar ontzien totdat de hechtingen eruit zijn.’ Ook van de pijnstillers ben ik waarschijnlijk groggy geworden. De dope maakte me suf en licht in mijn hoofd. Ik keek er af en toe bijna scheel van. Gelukkig hoef ik die dingen niet meer te slikken.

Donderdag is het zover, dan word ik bevrijd van die rare draadjes in mijn buik. Vanaf dan bouwen we het lopen weer op. Mijn baasjes denken dat het goed zal komen. Die andere draadjes van liefde tussen ons zullen mijn zelfvertrouwen vast weer opvijzelen. Vandaag kwam ik voor het eerst zelf uit mijn mand om met de M&M’s te kroelen. Ik heb het ze vergeven, dat zegt toch genoeg!

© Poot van Caro, juni 2016